Fulltime raadslidmaatschap is het overwegen waard, omdat het wellicht meer mensen in staat stelt om aan de lokale democratie mee te doen.
De discussie over het fulltime raadslidmaatschap is terug, dit keer naar aanleiding van een artikel van Tom Lash in De Correspondent: ‘Zware besluiten, woedende bewoners: de gemeenteraad is allang geen bijbaan meer’. Lash zoomt onder andere in op de druk die raadsleden ervaren vanuit hun parttime werk naast het raadslidmaatschap.
Wat gebeurt er, zo vraagt hij zich af, als je op je werk wordt aangesproken op het raadswerk als het gaat over, bijvoorbeeld, de komst van een azc? Wat als je in deze gepolariseerde tijden het idee hebt dat opdrachtgevers impliciet of expliciet meekijken? Het voorstel van Lash is helder: maak het raadslidmaatschap fulltime, zodat raadsleden onafhankelijker worden en zich er volledig aan kunnen wijden. In dat argument kan ik me vinden. Minder afhankelijkheid van externe belangen kan de kwaliteit van besluitvorming versterken, zeker in deze tijd, waarin het wel of niet openen van nieuwe azc’s leidt tot bedreigingen aan het adres van raadsleden.
Tegelijkertijd vind ik het niet het meest overtuigende argument voor fulltime raadslidmaatschap. Interessanter nog vind ik de discussie over het belang van er een betaalde baan naast hebben. Juist doordat raadsleden hun werk naast een baan doen, zouden zij volop in de samenleving staan. Fulltime raadsleden, zo is dan de suggestie, lopen het risico losgezongen te raken van de realiteit. Maar dat is een opmerkelijk smalle opvatting van wat het betekent om onderdeel te zijn van de samenleving.
Raadslidmaatschap naast een baan, dat klinkt allemaal heel neutraal. Maar de vraag is: wat rekenen we als baan? En waarom worden toch vooral betaalde activiteiten gezien als referentiepunt voor maatschappelijke betrokkenheid? Die redenering is eigenlijk behoorlijk dun. Hoe zit het met onbetaalde arbeid? Zorg voor kinderen, mantelzorg, vrijwilligerswerk, het draaiende houden van een huishouden. Het zijn allemaal vormen van maatschappelijk noodzakelijke arbeid. Ze brengen mensen dagelijks in contact met scholen, buurten en publieke voorzieningen. Als we niet aan het werk zijn, dan zijn we vaak toch aan het werk om te zorgen voor kinderen en naasten. Maar dat lijkt zelden mee te tellen als politiek relevante kennis.
Het raadslidmaatschap heet parttime te zijn, maar functioneert in de praktijk tegenwoordig vaak als allesbehalve dat, zeker in grote steden. De huidige constructie werkt over het algemeen vooral voor mensen met (financiële) buffers. Voor wie ook zorg draagt, biedt deeltijd raadslidmaatschap naast een parttime baan niet echt een oplossing. Fulltime raadslidmaatschap is het overwegen waard, niet alleen vanwege de externe druk van werkgevers, maar omdat het wellicht meer mensen in staat stelt om aan de lokale democratie mee te doen. Mensen die nu moeite zouden hebben om op zoveel borden tegelijk te schaken.
Over dat zij vervolgens losgezongen zouden raken van de samenleving maak ik me niet zo’n zorgen. Dat lijkt me een verouderde interpretatie van het lekenbestuur, met betaald werk als enige erkende maatschappelijke anker. Dus leve het lekenbestuur, als we durven te erkennen dat maatschappelijke betrokkenheid vele vormen kent.